zondag 17 januari 2016

Quest 1

Voor mijn quest1, heb ik gekozen voor ' programmeren in het onderwijs' als trend en hoe dit gerealiseerd te krijgen(gezien de afwezigheid van leerkrachten met voldoende ict-kennis) in het huidige onderwijs als gebeurtenis waarbij de onzekerheid het ontbreken van programmeerkennis bij de (ict)leerkrachten is.



Scenario 1

De leerlingen worden in niveaugroepen ingedeeld. De lesstof wordt op het niveau van elke groep afgestemd. De leerkracht begeleidt het leerproces van de groepen. Deze vorm heeft in het Nederlandse onderwijs momenteel de overhand; 80 procent van alle scholen werkt leraargestuurd.

Scenario 2

De  leerbehoefte van een individuele leerling (tempo en volgorde)is het uitgangspunt.Iedere leerling krijgt de kans om te leren op zijn eigen niveau, in zijn eigen tempo en in zijn eigen stijl, vanuit de eigen interesse, passie en ambitie. Deze vorm van leren op maat start vanuit de lerende, die zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen leerproces.

Scenario 3

Een leerling kan veel leren tijdens zijn zoektocht naar het antwoord op de vraag: ‘Waarom werkt dit op deze manier?’. Het leidt tot meer kennis over en begrip van alle technologie om ons heen en iets willen maken stimuleert de intrinsieke motivatie. Meer aandacht in het onderwijs voor het leren programmeren hoort hier ook thuis, al zal dat waarschijnlijk niet voor alle leerlingen zijn weggelegd. Op een heel basaal niveau snappen hoe het principe van programmeren in elkaar steekt, lijkt me trouwens wel heel nuttig.

Scenario 4

We zien hier dat leerkracht EN leerlingen samen nieuwe technieken leren. De leerkracht als allesweter is passé als gevolg van de snel veranderende technieken. Samen ontleden en produceren leerkracht en leerling nieuwe technieken. Professionele ontwikkeling gebeurt namelijk steeds meer bottem-up. De leerkracht gaat zelf opzoek naar allerlei interessante leeractiviteiten, ook online of in een informele context.
Digitale technologie is iets wat we ons kunnen en moeten toe-eigenen om een antwoord te bieden aan het (bijna-) monopolie van de Googles en Facebooks van deze wereld. Digitale competentie, in de zin van actief met technologie aan de slag kunnen, wordt steeds belangrijker.

Drijvende krachten: overheden en bedrijfsleven
Scholen hebben tegenwoordig te maken met een sterk veranderende en dynamische omgeving. Meer dan ooit wordt van scholen verwacht dat ze inspelen op de veranderingen in de samenleving.
Het onderwijs kan niet anders dan meegaan in deze dynamiek, het vormt immers een essentiële schakel in de keten van gezin naar samenleving en economie. Scholen moeten in verbinding met de omgeving hun positie bepalen met betrekking tot veranderingen in die samenleving en op de arbeidsmarkt. Dit kan concreet vorm krijgen doordat scholen bijvoorbeeld een flexibel samenwerkingsverband vormen met andere scholen binnen het bestuur, het bedrijfsleven of de gemeente om snel te kunnen inspelen op een veranderend leerlingaanbod. Inzet en betrokkenheid van het bedrijfsleven zal steeds meer vanuit specifieke inhoudelijke expertise en interesse plaatsvinden (gastlessen, projecten) naast de dagelijkse bezigheden als meelopen naar de gymzaal. Er kan en wordt thuis ook steeds meer gedaan met (aanvullende) digitale leermiddelen, inzicht daarin en aansluiting op wat op school gebeurt kan de effectiviteit van het leerproces in belangrijke mate verhogen.





HET NIEUWE LEZEN EN SCHRIJVEN

“Everybody should learn how to code because it teaches you how to think”, zei Steve Jobs al. Internationaal wordt er volop ingezet op kinderen leren programmeren. Eurocommissaris Neelie Kroes noemt programmeren “het nieuwe lezen en schrijven, essentieel voor ieder kind”. In de VS is coderen al ingeburgerd. Ook in Zweden en Estland wordt het aangeboden op de lagere school. In Engeland is programmeren sinds september 2014 verplicht voor iedere leerling, vanaf vijf jaar tot het einde van de middelbare school. Zelfs buiten Europa wordt enorm geïnvesteerd om kinderen te leren programmeren, en steken landen als Kenia en Nigeria landen als België en Nederland in volle vaart voorbij. Maar hoe realiseer je dat indien er niet voldoende leerkrachten met programmeer kennis beschikbaar zijn? Hoe ga je effectief met leerkrachten, tijd en middelen om?

Volgens KennisnetKennisnet Trendrapport 2014/2015, technologiekompas voor het onderwijs ,hebben nieuwe technologieën een enorme invloed op het functioneren van het onderwijs. Daarom analyseert Kennisnet nieuwe technologietrends en de invloed ervan op actuele onderwijsvraagstukken. Kennisnet heeft samen met onderzoeks- en adviesbureau Gartner negen relevante technologieën geïdentificeerd die volgens hen voor het Nederlandse onderwijs het meest relevant zijn. De auteurs maken, een onderscheid tussen hypes en trends.

Als kader heeft men Gartner hype cycle gebruikt, en heeft men een swot-analyse per technologie gemaakt (sterke kanten, zwakke kanten, kansen en bedreigingen voor het onderwijs. Het trendrapport wil scholen volgens eigen zeggen helpen bij het maken van keuzes rond ict-dilemma’s. Het is vooral de swot-analyse, en de daaropvolgende strategische overwegingen, die beslissers kunnen helpen het gesprek te voeren over deze dilemma’s.

Het bedrijfsleven kan verder een goede bijdrage leveren aan de inhoud of de organisatie van het onderwijs, bijvoorbeeld met gastlessen, concrete voorbeelden die aansluiten op de lesstof of excursies. In het mbo wordt steeds vaker ingezet op coproductie met het bedrijfsleven om deelnemers de ‘state of art’ ontwikkelingen mee te geven via de Centra voor innovatief vakmanschap . Digitale competenties van de leerkracht zijn hierbij een must.




Digitale competentie houdt ook in dat je als organisatie vaardig met allerhande nieuwe technologieën kunt omspringen. Dat je binnen de organisatie (of het eigen netwerk) een minimale expertise ontwikkelt in het zelf beheren van online tools en platformen. Gelukkig kan dat inmiddels zonder gespecialiseerde technische kennis. Zo is het opzetten van een eigen blog een zaak van luttele minuten. Met een gezonde dosis nieuwsgierigheid, experimenteerruimte en visie kom je al een heel eind.

De digitale wereld waarin we nu leven, heeft hierdoor steeds meer ICT-professionals nodig. Er moet dus ingezet worden op het aanleren van programmeervaardigheden. Ook de algemeen maatschappelijke trend van het zelf maken van dingen, die stilaan ook overwaait naar het onderwijs, kan hieraan gekoppeld worden.





Do-it-yourself-technologieën en de zogenaamde Maker movement daarentegen bevinden zich in de Nederlandse hype cycle van het onderwijs nog in de adolescentiefase. Deze trend kent als belangrijkste ingrediënten ict, innovatie, creativiteit en techniek. Laagdrempelig ‘knutselen’ met technologie, leren door te maken en ondertussen ook nog vaardigheden trainen als probleemoplossend denken of samenwerken.

Een leerling kan veel leren tijdens zijn zoektocht naar het antwoord op de vraag: ‘Waarom werkt dit op deze manier?’. Het leidt tot meer kennis over en begrip van alle technologie om ons heen en iets willen maken stimuleert de intrinsieke motivatie. Meer aandacht in het onderwijs voor het leren programmeren hoort hier ook thuis, al zal dat waarschijnlijk niet voor alle leerlingen zijn weggelegd. Op een heel basaal niveau snappen hoe het principe van programmeren in elkaar steekt, lijkt me trouwens wel heel nuttig.

Maar wil je inderdaad op deze manier onderwijs op maat bieden, dan moet het ict-fundament van de instelling wel staan als een huis. Je moet kunnen beschikken over bijvoorbeeld laptops of tablets, afhankelijk van welke doelstellingen je als school nastreeft. Je moet ook cloudoplossingen kunnen gebruiken en goede verbindingen hebben.

Deze laatste technologieën zien we in de praktijk al veel terug in het onderwijs en deze beginnen dus ook al aardig volwassen te worden. In de hype cycle staan ze daarom het meest rechts van de genoemde trends, ze zijn hard op weg naar de 50% penetratie van de onderwijsmarkt, wat in termen van Gartner ‘mainstream adoption’ wordt genoemd.
                                 

Uit een recent rapport blijkt dat programmeren op dit moment in twaalf Europese landen op het onderwijscurriculum prijkt. Nog eens zeven Europese landen overwegen om programmeren op te nemen. Daarbij wordt er soms geschermd met economische argumenten en verwezen naar het tekort aan programmeurs. Maar dat is zeker niet de belangrijkste reden om programmeren op te nemen in het onderwijscurriculum. Programmeren in het onderwijs is geen doel op zich. Het kan immers niet de bedoeling zijn (zoals reeds eerder aangehaald)om iedereen op te leiden tot programmeur - ik zie zelfs niet in hoe dat zou kunnen. Programmeren heeft eerder een algemeen vormend karakter, is een instrument om 'computationeel' te leren denken. Hoewel er een relatie is met logisch en kritisch denken(onderdeel van 21 first Century skills), is computationeel denken een vaardigheid die op zichzelf staat. Het is het formuleren van oplossingen en dit op zó een manier dat ze stapsgewijs uitvoerbaar zijn, hetzij door een mens hetzij door een apparaat. Gezien het toenemende belang van creatief omgaan met ICT zowel in de beroepscontext als privé, is computationeel denken relevant om te kunnen inzien wat er mogelijk is met software. Programmeren is met andere woorden ook een belangrijk middel om inzicht te verschaffen in de werking van digitale systemen. Technologie en software veranderen heel snel, maar de basisprincipes waarop deze gebaseerd zijn, blijven grotendeels dezelfde.
We zien verder vanuit de vlaamse overheid een bewustwording m.b.t. het aanleren van programmeer skills, ook om aansluiting bij de 21e eeuws skills te realiseren.

Een andere drijven kracht, is het forum voor informaticawetenschappen

Deze bewustwording ontbreekt nog bij de Nederlandse overheid. We zien wel een drive vanuit het bedrijfsleven en lokale initiatieven, zoals de coderdojo, om een en ander te realiseren. 




In een aantal Europese landen, waaronder Engeland, zet het onderwijs voluit in op het voorbereiden van jongeren op de snel veranderende digitale wereld. Niet alleen door hen te leren werken met de huidige technologie, maar ook door hen in te wijden in de principes die aan de basis van die digitale wereld liggen. Dat gaat dan, onder andere, over vertrouwdheid met algoritmen, basiskennis van digitale informatie en over de werking van computers en computernetwerken op conceptueel niveau. Uiteraard aangepast aan de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van jongeren. Deze leerlijn 'computer science' ('informaticawetenschappen') loopt van de lagere tot en met de middelbare school!

Advies leerteam
Als Nederland(en Vlaanderen) zich als kenniseconomie wil blijven profileren, dan moet ze er óók voor zorgen dat voldoende jongeren in staat zijn - en gemotiveerd zijn - om de technologische vooruitgang te sturen. Want vooruitgang in de wetenschap, maar ook in de technologie, gebeurt vandaag mede dankzij vooruitgang in de informaticawetenschappen. Denk maar aan biologie, levenswetenschappen en geneeskunde, waar nieuwe inzichten groeien via de analyse van grote hoeveelheden data op basis van nieuwe algoritmen. Of aan het succes van Google, dat - zeker in de beginjaren - niet gestoeld was op snellere hardware, maar op betere algoritmen. Voor een toekomstig(e) wetenschapper of ingenieur is het dus belangrijk om een zicht te krijgen op de wetenschap die een revolutie in zijn of haar discipline zal ontketenen. Daarom is het van belang om zo vroeg mogelijk te beginnen met het aanleren van programmeerskills.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten